Dat wij zijn als kaarsjes, brandend in de nacht

Kerst is het feest van het licht. Het feest van de komst van Jezus, het Licht der wereld. Het feest dat ons doet zingen van het licht. Het feest dat ons vrolijke lichten doet ontsteken: lichtjes in de kerstboom, kaarsen op tafel, lichtsnoeren op de vensterbank. Zelfs hele tuinen worden tegenwoordig in lichterlaaie gezet.

Waarom toch al dat licht?

Natuurlijk: we doen dit om de duisternis te verdrijven. Ons licht weerkaatst het licht dat de engelen meebrachten uit de hemel. We zingen over het licht om tegen elkaar te zeggen, dat de donkere machten aan de verliezende hand zijn: ‘Nu daagt het in het oosten, het licht schijnt overal.’ We verwijzen zingenderwijs naar de Heer van het licht: ‘O Kind van het licht, o ster in de nacht.’ Hij is als het zonnelicht: ‘In dulci jubilo, onze vreugd is groot. … [Hij] staat als de zon te stralen bij moeder op haar schoot.’ We roepen elkaar op verhoogde toon op om het licht te zien: ‘Komt, verwondert u hier, mensen, … ziet, die ’t licht is in de nacht.’ We beamen het evangelie door vrolijk te zingen: ‘Daar is uit ’s werelds duist’re wolken een licht der lichten opgegaan!’  De lichtsymboliek is zonneklaar.

Maar waarom nu uitgerekend kaarslicht? Waarom al die lichtjes in kerstbomen en lichtslingers?

Dit hebben we aan Jozef te danken, Jozef, de aardse vader van Jezus.

Het komt zó (en nu moeten we even de geschiedenis induiken): de heilige Birgitta van Zweden (1303-1393, co-patrones van Europa) kreeg in haar bewogen leven allerlei visioenen. Visioenen, geschonken beelden, openbaringen, vooral over het lijden van Christus. Maar ook over diens geboorte. Ze ziet in een visioen wat er allemaal gebeurt: Maria, Jozef, de os en de ezel verblijven in een grot. Maria draagt een witte mantel. Op een gegeven moment ziet Birgitta Jozef weggaan. Waar gaat de man naartoe, juist op dit bevallige ogenblik? Het blijkt, dat hij een kaars gaat halen om daarmee de donkere grot te verlichten! Even later komt Jozef inderdaad weer binnen, met een kaars in zijn linkerhand. Dan wordt Birgitta getoond hoe Maria’s gouden haar op haar schouders valt wanneer ze haar sluier afdoet. Ze knielt neer om te bidden en plotseling wordt Jezus geboren. Een helder licht omstraalt het kind, zó fel dat zelfs de kaarsvlam van Jozef niet meer zichtbaar is. Het hemelse licht doet het aardse licht verbleken. Christus straalt Zélf breeduit van het nieuwe leven. Dat is de boodschap van het visioen.

Jozefs actie werkt heel aanstekelijk: hij is voor ons een lichtend voorbeeld geworden. Sinds het verhaal over die kaars in zijn handen, dragen ook wij allerlei lichten aan. Jozef is de eerste geweest die een kerstlicht ontstak; wij doen dit hem na, al eeuwen lang. Dit doen wij in het nederige besef, dat het aardse licht veel te zwak is om het hemelse licht te overstralen: ook al ontsteken wij met elkaar duizenden lichtjes, ze kunnen het Licht der wereld niet evenaren. Maar mét Jozef dragen we licht aan, licht in de duisternis!

Ja, dit strookt helemaal met wat de Heer van ons verwacht. Dat we zélf licht geven.

In een bekend kinderlied staat het zo:

Jezus zegt, dat Hij hier van ons verwacht,

dat wij zijn als kaarsjes, brandend in de nacht .

En Hij wenst, dat ieder tot zijn ere schijnt:

gij in uw klein hoekje en ik in 't mijn.


Jozef zegt ons, dat het goed is om, waar mogelijk, licht aan te dragen. Met kerst doen we dit alom.

De rest van het jaar ook? U in uw klein hoekje en ik in ’t mijn?

 

Nielspeter Jans