Uit nood geboren

Het geboorteverhaal van Jezus? We kennen het allemaal. We lopen al zo lang mee met de herders naar Betlehem, jaar in jaar uit. We zien de wijzen uit het oosten al tevoorschijn komen, nog voordat ze werkelijk in aantocht zijn, want we kunnen het verhaal wel drómen. De os en de ezel ontroeren ons telkens weer. Het Kind in het stro maakt ons blij met zijn komst. Het ‘Gloria in excelsis Deo’ is daarom niet van de lucht. Ook vanavond niet.

Maar als je het verhaal eens zou kunnen lezen zónder voorkennis, met nieuwe ogen dus, en zonder zicht op hoe het verder zal gaan met dat Kind, dán zou je niet veel redenen hebben om blij te zingen. Want wie nuchter naar de situatie kijkt, wordt meteen geconfronteerd met de harde realiteit.

Op het veld van Efrata ontmoet je immers geen ‘herdertjes’, die trouw de wacht houden bij hun ‘schaapjes’, geen vrolijke flierefluiters die met hun lieftallige herderinnetjes een dansje maken rond een romantisch kampvuur, nee, je ontmoet daar ruwe bolsters die als uitschot van de toenmalige samenleving werden beschouwd. Verschoppelingen. Hun bestaan was hard en meestal kort. Voor mens en dier was het leven zwaar. Armoe troef. Dát is de realiteit waarbinnen het verhaal zich afspeelt.

Lezend met nieuwe ogen zou je een paar regels verder verbijsterd vaststellen dat geen mens in Betlehem zich bekommert om Maria, notabene een hoogzwangere vrouw. Uitermate schokkend... Ze wordt bijna onder de voet gelopen vanwege alle drukte daar. De hardheid en de onbewogen houding van Betlehems burgers… Hoe durven ze die vrouw aan haar lot over te laten?

Je zou ook niet weten wat je ziet, wanneer je voor ’t eerst in die koude stal zou blikken waar de verlossing nabij is. Niemand die helpt. Niemand die toesnelt. Moeten die vrouw en die man het allemaal alleen doen? Wat een eenzaamheid! En zal dat Kind het redden? Hij ziet het levenslicht aan de zelfkant van de samenleving. Laag bij de grond. Liggend in de kribbe ligt Hij in de goot. Hij wordt, o arm Kind, uit nood geboren.

Maar het Kind redt het en blijft, o wonder, in leven. De bevalling is zelfs het begin van de verlossing. Maar dat weet je nog niet, wanneer je het verhaal voor het eerst leest. Dan val je van de ene verbijstering in de andere: na die zeer ongelukkige omstandigheden waaronder het Kind geboren wordt, lees je niet veel later zelfs over de gruwel van een moord. Een kindermoord… Kan het erger...?

Hij ontkomt, omdat Maria en Jozef met hem wegvluchten. Ze zijn de vluchtelingen uit die tijd. Vluchtelingen als alle andere vluchtelingen. Uit alle tijden. En waar vluchten ze naartoe? Ze dalen af naar Egypte! In Het Hebreeuws betekent Betlehem ‘broodhuis’ en Egypte ‘angstland’. Ze verkiezen dus het enge angstland boven het broodhuis. Dan moet je wel radeloos zijn…

En wat blijkt? Dit angstland wordt voor hen een asielplek, een veilige haven. Vesting Egypte is voor het Kind een safe haven. Maar wat zál het een moeilijke gang zijn geweest!

Wie het verhaal met nieuwe ogen leest, zal vooral een diep medelijden hebben met dit Kind. Beelden van angstige, vluchtende, gehavende mensen-van-nu komen vanzelf boven. Het Kind deelt in hun leed. Betlehem en Aleppo vallen samen. Kunnen we wel blij zingen met dit verhaal (van toen, van nu) voor ogen?

Gelukkig lezen wíj het geboorteverhaal niet met nieuwe ogen. We weten, dat het Pasen zal worden. Dat het Kind het niet alleen zal rédden, maar dat Hij ook óns zal redden. En ons zal voorgaan op de weg van de liefde. En dat na hem ontelbaren deze weg zijn gegaan. Gelukkig weten wij dit allemaal. Kerst is pas het begin. Daarom kunnen we tóch blij zingen, al zijn de omstandigheden er in Betlehem én Aleppo niet naar. We weten, dat de ellende overwonnen zal worden: het komt goed met dit Kind, met héél de wereld. Daarom zingen wij met de moed der hoop en blij gestemd. Het verhaal mag er zijn en het Kind mag er wezen. ‘U zij wellekome!’

Want – dit doen wíj anders dan toen in Betlehem! – bij ons komt níemand voor een dichte deur.

                                                                                                                                                                                             Nielspeter Jans